top of page

Deze reportage was terug te lezen in het Dagblad van het Noorden op zaterdag 24 augustus 2017

'Ze sturen me er toch niet uit, hè?' 

Mevrouw Vos verhuisde naar een verzorgingstehuis voor de zorg en gezelligheid. Langzaam maar zeker nemen beide voordelen af. Leegstand dreigt. "Waar moet ik dan heen?" 

Fotografie en tekst: Mirjam Offringa

Zonnestralen bereiken nog net het raam van een ruime kamer, ter hoogte van de 2e verdieping, van een hoog stenen gebouw in hartje Groningen. Binnen dit gebouw bevindt zich een verzorgingstehuis. Aan de andere kant van het raam zit mevrouw Vos.  Ze staart naar buiten. 

 

Ze is keurig gekleed, heeft haar haren laten kappen en de nagels laten pedicuren. Ze oogt alleen wel wat moe. Ze zit in een comfortabele hoge fauteuil, aan een ronde tafel. De tafel is bedekt met een getuft Perzisch tapijt. Daarop ligt een houten dienblaadje, bekleed met een papieren onderlegger, waarin motieven zijn geknipt. Hierop  staat een glimmend koperen schaaltje vol met snoepgoed dat haar houdbaarheidsdatum vast heeft overleefd. Exact hetzelfde schaaltje, dat tot vorig jaar juli op de eettafel van haar voormalige huis aan de Jan Van Galenstraat stond. Zelfs het vaasje met plastic bloemetjes is mee verhuisd. 

 

In maart 2013 viel mevrouw Vos in haar voormalige woning aan de Jan van Galenstraat. Haar hartkleppen werkten niet goed meer.  Een spoedopname volgde, daarna tijdelijke verpleging en vervolgens verzorging in dit tehuis. Hier ontdekte ze dat een tehuis veel gezelliger en aangenamer kan zijn dan ze van te voren had verwacht. Uitgerekend zij wilde juist zo lang mogelijk thuis blijven wonen. Maar na deze ervaring bedacht zij zich geen moment. Ze nam een makelaar in de hand en verkocht haar huis, zelfs ver onder de verkoopwaarde, om maar zo snel mogelijk deze zonnige kamer te kunnen betrekken. 

2026-09-10-MirramOFfringa-17.44.00.jpg

Mevrouw Vos beseft dat ze erg blij mag zijn, dat zij vorig jaar nog een mooi plekje in dit verzorgingstehuis kon krijgen. Helemaal met deze kamer,en alle nodige voorzieningen dichtbij. Alleen, nu maakt zij zich zorgen om al die mensen die na haar komen. Ouderen, die zich in eenzelfde situatie bevinden als zij, krijgen sinds 1 maart van dit jaar, enkel op basis van een AWBZ-vergoeding, geen plek meer in het verzorgingstehuis. En naarmate steeds meer bewoners overlijden, komen meer appartementen leeg te staan. En dat terwijl mevrouw Vos vorig jaar juist voor de gezelligheid koos en daarvoor alles heeft opgegeven. “ Ze sturen me er toch niet uit, he?” vraagt deze 89 jarige vrouw bezorgd.

 

Sietze Wijma, 72 jaar, brengt mevrouw Vos nog wel eens een boodschapje, wat hij ook deed toen ze nog zelfstandig thuis woonde. Mijnheer Wijma heeft vroeger in de Thuiszorg gewerkt. Het is hem ook opgevallen dat mevrouw Vos zich ernstig zorgen maakt. “ Ja, want je hoort wel verhalen over mensen die ineens naar een ander verzorgingstehuis worden overgeplaatst, wanneer leegstand dreigt. Terwijl deze mensen zich juist zo vertrouwd voelden in dat tehuis. Ineens moeten ze al hun contacten gedag zeggen en op zeer late leeftijd nog nieuwe contacten gaan opbouwen”.  Volgens hem is mevrouw Vos bang dat ze straks op straat komt te staan. “ Waar moet ik dan heen?” had ze hem angstig gevraagd. En ook mijnheer Wijma  maakt zich nu zorgen voor de toekomst. Wat als hem iets overkomt en hij zelf straks verzorging nodig heeft?

Van sociaal verzorgingstehuis naar een particulier zorghuis of verpleeghuis

Sinds 1 maart van dit jaar kunnen alleen mensen met de indicatie ‘ZZP4’ nog een appartement bewonen in een verzorgingstehuis. Maar dit zijn mensen die vrijwel niets meer zelf kunnen en zo vergeetachtig worden dat het bijna gevaarlijk wordt. “De verzorgingstehuizen zijn niet op zware indicaties ingericht’ zegt Jannie Mulder, verzorgende bij dit verzorgingstehuis. “ Deze mensen worden al gauw naar een verpleegtehuis doorgestuurd”. Het gevolg is dat dit tehuis gedwongen wordt zich te hervormen tot een verpleegtehuis of tot een particulier verzorgingstehuis, indien het leegstand wil voorkomen. In dat laatste geval is er in de toekomst dan alleen nog plaats voor mensen die daarvoor de volledige huurprijs en zorg, buiten de AWBZ-vergoedingen om, zelf kunnen betalen. 

De zorginidicatie en de daarbij behorende zorg

Mevrouw Mulder vertelt dat mevrouw Vos is ingedeeld in de categorie ‘ZZP3’. Dit betekent dat mevrouw Vos recht heeft op negen tot maximaal elf uren per week aan begeleiding en intensieve verzorging.  Wist mevrouw Vos zelf ook dat ze is ingedeeld voor dit pakket?  Mevrouw Vos schudt haar hoofd. Heeft de instelling dan wel een zorgplan met haar doorgenomen? Nee, ook niet. “Ja, kind, je wordt hier niets gewaar.” reageert ze.  Navraag leert, dat mevrouw Vos hierover wel informatie van het CIZ had ontvangen en dat het zorgplan wel degelijk met haar is doorgenomen, maar dat ze door haar ouderdom dingen vergeet. Vooral wanneer ze bepaalde zaken niet goed begrijpt. Vaak vinden ze het ‘dan wel best’. Dan zegt ze: “ maar, ik wil ook niet lastig zijn. Wat ik zelf kan doen, doe ik zoveel mogelijk zelf”. “ Alleen ’s ochtends ga ik naar beneden en vraag ik of ze m’n schoenen willen vastmaken. Want dat bukken, dat kan ik niet meer”. “Maar als ze wil, kan ze de verzorgende oproepen en dan komen ze bij haar. Ook had ze niet begrepen dat het verzorgingstehuis van het zorgkantoor geld voor haar ontvangt om die uren voor haar te kunnen bekostigen. “ Ooh…” zegt ze…”dus als ik ’s avonds naar bed wil, dan roep ik ze en dan mogen ze me helpen met uitkleden?”. “Maar” zegt ze dan “ we ontvingen onlangs een brief waarin ons werd gevraagd om de dingen, die we zelf konden, zo veel mogelijk zelf te doen”.  Dat zal. Maar dat betekent niet dat ze àlles zelf hoeft te doen. Ook dan heeft ze in ieder geval recht op maximaal elf uren aan verzorging en begeleiding per week. Wanneer je weet dat daar ook de uren voor bediening bij de lunch en het afwassen e.d. onder valt, blijft er ook weinig tijd voor mevrouw Vos over. “ Oh..” zucht ze verbaasd. “ Nou, ik kan nog wel een klein beetje. Alleen afwassen, dat lange staan, dat kan ik niet meer” En dat terwijl Jannie Mulder nog trots vertelde dat het goed ging met mevrouw Vos, omdat ze gezien had dat mevrouw Vos al een paar keer haar eigen kopjes en bordjes had afgewassen.  “Ze mopperen ook wel als ik teveel zelf doe, hoor” zegt mevrouw Vos dan. “Dan vragen ze me waarom ik hen niet even heb opgeroepen. Ze zeggen vaak genoeg dat ik een beroep op hen kan doen.” Ze haalt haar schouders op en geeft dan toe:” ik ben altijd bang dat ik te lastig ben.  Over het algemeen zijn ze heel goed voor me, hoor!” 

En zo wordt mevrouw Vos slechts één keer per week gedoucht en probeert zij zich iedere dag zelf staande bij de wastafel te wassen en zelf haar kleding aan te trekken, terwijl ze met haar indicatie dus eigenlijk recht heeft op dagelijkse begeleiding en verzorging. Nu doet ze er ’s ochtends ruim een uur over om de steunkousen aan te krijgen, omdat ze ontzettend veel pijn heeft in haar rug. En inmiddels is er een infectie op haar rug geconstateerd. Toevallig op de plek waar ze net niet bij kan bij het wassen. 

 

De avonden lijken sinds 1 maart overigens ook veel langer en stiller. Tot die tijd kon ze zelfs ’s avonds, om zes uur, een broodje in de kantine komen eten, met een extra kopje koffie na. Ook dat is nu afgeschaft. Nu wordt er om zes uur een broodje op de kamer gebracht, dat je zelf moet smeren. Zonder een extra kopje thee of koffie en gezelligheid.

 

Maar, nee, mevrouw Vos vrààgt niet om hulp. Zij heeft zelf meegemaakt hoe zwaar het is, als je je eigen grootouders in huis moet opnemen om voor hen te zorgen, omdat ze ineens hulpbehoevend worden. Zelfs al kwam de ‘zuster’ van het ‘Groene kruis’ iedere dag langs voor de nodige verpleging.  2 jaar lang hebben de grootouders bij hen in gewoond, nadat haar grootvader aan de linkerzijde verlamd raakte. Haar oma zorgde lange tijd voor hem, tot zij dit zelf niet meer kon en de oorlog aanbrak.

 

Mevrouw Vos was nog jong toen haar grootouders bij hen in huis werden opgenomen. Vlak voor en tijdens de oorlog bevond Nederland zich, net als nu maar vele malen erger, in een crisis. Die periode is niet te vergelijken met de situatie nu. “We hebben het arm gehad, hoor” zegt ze ernstig. Ze heeft nog altijd een bonnetje van het bonnenboekje bewaard. Het ligt in de lade van de kast op haar kamer. Voor één bonnetje konden ze slechts één broodje per dag halen tijdens de oorlog. Maar dat was voor een gezin met 6 mensen en dan ook nog 2 grootouders natuurlijk niet genoeg. Haar vader reed dan naar een kennis in Westerwijtwerd, die een Bakkerij had. Bij hem ruilde hij autobanden om voor een paar roggebroden. “Maar ik lustte helemaal geen roggebrood” zegt mevrouw Vos “ ik vond het verschrikkelijk. “En tegenover ons woonden jongens, die nog in de groei waren, dus die konden een heel roggebrood in hun eentje op. Dan ruilde de moeder van de jongens een pak suiker voor een roggebrood van ons”. En zo kwamen ze met ruilhandel de oorlog door. “Het eerste jaar heb je nog wat voorraad, maar na 3 , zeker 4 jaren oorlog, heb je dat niet meer”. Ook moesten ze het doen met slechts een heel klein stukje zeep, waarmee ze zichzelf, maar ook de kleding van alle familieleden moesten wassen. “Zachte rot zeep was het ook nog, dat helemaal niet wilde schuimen“ zegt ze vol afschuw. “En omdat we het arm hadden, hadden we niet de hele dag door gas tot onze beschikking. “ 

“ Dan liepen we weer naar de buren om emmers met kokend water te vullen. “  “ En al die kleding schrobben en wassen was veel werk, hoor.”  En vaak wilde het bij slecht weer helemaal niet drogen. Dan zochten ze allerlei plekken in huis om de kleding over te hangen. “Vreselijk” zegt ze, “ daar moet je nu toch niet meer aan denken!”. “ Dus, nee hoor. Het is wel goed zo.”

 

“Maar die zuster van het groene kruis, dat was wel fantastisch, hoor!” zegt ze dan helder. 

Mevrouw Vos vindt het daarom wel een goede zaak dat de overheid wil dat de verpleegkundige weer terug komt in de wijken. “ Maar dat ze willen dat de ouders weer bij de kinderen in huis komen, daar ben ik vreselijk fel op tegen!” roept ze stellig. Haar eigen moeder riep destijds dat ze één ding wenste en dat was, dat ze nóóit bij haar eigen kinderen in huis opgenomen zou hoeven worden. Puur vanwege de ervaring met haar eigen ouders. Gelukkig is dat dan ook niet gebeurt. De ouders van mevrouw Vos zijn in hun eigen huis overleden.

 

Als mevrouw Vos vorig jaar had geweten, dat de verzorgingssituatie in Nederland met ingang van 1 maart dit jaar zou veranderen, was ze dan liever thuis gebleven? Weer schudt ze haar hoofd. Ze geeft aan dat het ook dan in het verzorgingstehuis nog altijd zoveel malen beter is geregeld. Tenminste, nù nog wel. “ Mensen kunnen hier heel gemakkelijk bij elkaar op bezoek. “ Ze legt uit dat de bewoners daarvoor slechts een paar stappen hoeven te zetten.  Dan zegt ze:“ En iedere dag worden er (voor slechts een kleine bijdrage) leuke activiteiten georganiseerd. Van een middag naar de smartlappenclub in Haren tot en met een middag struisvogels bewonderen in Boerakker. Ik zit nu in het zangkoor en mag 2 ochtenden in de week voorlezen. Hier heb ik een doel! En je hoeft maar op de knop te drukken en er staat een verzorgende in je kamer. Thuis was ik vaak bang ’s avonds. Hier voel ik mij veilig. Ik ben hier helemaal tot mezelf gekomen”.  “Thuis moest ik bovendien vaak heel lang wachten, tot er iemand van Thuiszorg kwam” vervolgt ze. “ Ik zag en sprak daar lang niet zoveel mensen als nu.”

 

En terwijl ze dat zegt, vertrekt haar gezicht. Daarna staart ze weer naar buiten. Ze lijkt zich opnieuw zorgen te maken. Dan zegt ze: “ ik ben erg tevreden hier. Maar, als het ophoudt is het ook goed”. Waarom? Omdat zij zich zorgen maakt om de toekomst. Wat als het verzorgingstehuis werkelijk leeg raakt? En zij naar een ander verblijf wordt gestuurd? Of noodgedwongen alsnog in een huurwoning voor senioren moet gaan wonen? Iedere dag moet wachten tot de wijkverpleegkundige komt en maar weer blij moet zijn als er eens bezoek langskomt?  “Nee, hoor” zegt ze, “dan is het ‘wel best’…”

 

 

 

NB: om de veiligheid van de geïnterviewde te waarborgen, zijn alle namen in dit stuk gefingeerd en is de naam van het verzorgingstehuis niet bekend gemaakt.

*ZZP staat voor ZorgZwaartePakket. Het CIZ (Centrum Indicatie Zorg) bepaald voor welk pakket een hulpbehoevende in aanmerking komt. De groepen die voortaan geen recht meer hebben op een plek in een AWBZ-verzorgingsinstelling:

 

ZZP1:

Deze mensen kunnen zichzelf wassen en aankleden en gaan nog naar buiten.

 

ZZP2:

Deze mensen krijgen zorg en begeleiding, omdat ze steeds meer lichamelijke klachten krijgen, maar wonen vaak nog wel thuis.

 

ZZP3:

Deze mensen hebben begeleiding en een intensieve verzorging nodig. Zij krijgen door het ouder worden steeds meer lichamelijke klachten. Zij voelen zich geestelijk niet meer zo sterk en hebben hulp nodig bij de organisatie van zaken.

 

Deze mensen worden voortaan geacht thuis te blijven wonen. Zijn kunnen een PGB (=PersoonsGebonden Budget) aanvragen bij de gemeente. De gemeente bekijkt dan voor welk bedrag deze ouderen in aanmerking komen. De cliënt bepaalt vervolgens welke zorginstelling hem of haar dan dagelijks thuis mag komen verzorgen.

bottom of page